De meeste mensen fotograferen vandaag ofwel met een digitale spiegelreflexcamera met verwisselbare lenzen en op vele vlakken instelbaar, ofwel met een digitale compactcamera met een vaste lens en waaraan nauwelijks iets te regelen is. Ze hebben elk hun voor- en nadelen, maar met welk materiaal je ook fotografeert, het is niet het materiaal maar de fotograaf die telt! Dit blijkt ook uit de ARGUSfotowedstrijd waar vele winnende beelden met een eenvoudig toestel werden gemaakt.
Tip: Werk met het materiaal dat je hebt en focus op compositie, originele standpunten, mooi licht, …
Hoeveel licht er op je sensor of film valt wordt bepaald door volgende factoren:
- Lichtgevoeligheid
- Sluitertijd
- Diafragma
- Omgevingslicht
De combinatie is bepalend voor de aard van het beeld.
Lichtgevoeligheid
- aangegeven in ISO waarde
- hoe hoger de waarde, hoe meer licht op film of sensor wordt opgevangen
- vaste waarde bij film, instelbare waarde bij digitale toestellen
Tip: Gebruik hogere ISOwaarden bij donker weer of ’s nachts. Houd er rekening mee dat hoge ISOwaarden een korreliger beeld geven op film of een digitaal beeld opleveren met zgn. ruis.
Sluitertijd
- de snelheid waarmee de sluiter in het fototoestel die de film of sensor afschermt open en toe gaat
- hoe hoger de snelheid, hoe minder licht op de film/sensor komt
- kan afhankelijk van de camera worden ingesteld op 1/8000 seconde tot enkele uren
- meestal niet te regelen bij compactcamera’s (zie handleiding en menu), tenzij enigszins via de voorgeprogrammeerde opties (bv. ‘sport’ = hoge snelheid).
Tip: Gebruik een hoge sluitersnelheid als je een beweging wil ‘bevriezen’, bv. een vliegende vogel. Gebruik een lage sluitersnelheid als je juist beweging in het beeld wil suggereren, bv. stromend water.
Diafragma
- opening in de lens waardoor het licht wordt binnengelaten, uitgedrukt in f-waarde (focus)
- hoe lager de f-waarde, hoe groter de diafragma-opening en hoe meer licht er wordt binnengelaten
- bepaalt de scherptediepte. Hoe lager de f-waarde, hoe beperkter de afstand waarbinnen het beeld scherp is en vice-versa.
- kan afhankelijk van de lens worden ingesteld van f/1.4 tot f/45
- lenzen hebben een minimale en maximale f-waarde. De minimale waarde bepaalt de zgn. lichtsterkte van de lens.
- meestal niet te regelen bij compactcamera’s (zie handleiding en menu). Compactcamera’s hebben door de kleine sensor een grotere dieptescherpte.
Tip: Gebruik een lagere f-waarde als je de achtergrond onscherp wil hebben. Dit is vaak mooier bij dichtbij-opnamen. Gebruik een hoge f-waarde als je een landschap vanaf de voorgrond tot oneindig scherp wil hebben.
Tip: Probeer bij een compactcamera verschillende voorgeprogrammeerde opties (sport, landschap, macro, …) voor eenzelfde beeld.
Tip: Probeer bij een digitale reflexcamera verschillende combinaties tussen diafragma en sluitertijd uit voor eenzelfde beeld.
Omgevingslicht
Fotograferen is tekenen met licht. Je kan de hoeveelheid licht die op de sensor komt regelen, je kan met beeldbewerkingsprogramma’s
Tip: Fotografeer bij voorkeur ‘s ochtends en vanaf de late namiddag. Dan heb je zacht strijklicht en lange en zachte schaduwen.
Tip: Tegenlicht levert soms mooie effecten. Maak, indien het onderwerp er zich toe leent, een foto met het licht mee en in tegenlicht en vergelijk!
Tip: Fotograferen bij nacht en zonder flits levert vaak heel bijzondere beelden op.
Contrast
Contrast in een beeld is erg bepalend voor de sfeer van de foto. Een groot contrast geeft zelden mooie beelden. Een beeld zonder contrast is ook zelden mooi.
Je kan het contrast van een beeld digitaal manipuleren, maar de basis, het oorspronkelijke beeld, moet goed zitten. De intensiteit van het licht is bepalend voor het contrast.
Tip: Fotografeer best niet in de middagzon in hartje zomer. Dat geeft (te) veel contrast en (te) harde schaduwen.
Tip: Maak geen landschapsfoto’s bij een structuurloze, grijze hemel. Dan heb je te weinig contrast, maar ook te weinig kleur.
Lenzen hebben een bepaald brandpunt, uitgedrukt in mm. Hoe lager het brandpunt, hoe korter de lens, hoe groter de beeldhoek, hoe kleiner het onderwerp, hoe groter de scherptediepte. Met deze kennis in het achterhoofd, kan je bepalen welk brandpunt je best kiest voor een bepaald onderwerp.
Je hebt lenzen met een vast brandpunt en zoomlenzen met een variabel brandpunt.
Standaardlens
Het brandpunt ligt tussen 35 en 70 mm. Een standaardlens – of een zoomstand tussen 35 en 70 mm - levert een beeld dat ongeveer overeenstemt met wat je met je ogen ziet.
Groothoeklens
Het brandpunt ligt lager dan 35 mm. Een groothoeklens – of een zoomstand lager dan 35 mm – verbreedt en verkleint het beeld t.o.v. een standaardlens.
Telelens
Het brandpunt ligt hoger dan 70 mm. Een telelens – of een zoomstand hoger dan 70 mm – versmalt en vergroot het beeld t.o.v. een standaardlens.
Tip: Bekijk een onderwerp op verschillende zoomstanden/met verschillende lenzen.
Tip: Gebruik een telestand als je het onderwerp los wil krijgen van de achtergrond.
Tip: Verander bij een groothoekstand de hoek waarin en het standpunt van waar je het onderwerp bekijkt. De wijdsheid van een landschap komt vaak goed tot zijn recht bij een laag standpunt of een wat naar beneden gedraaide camera.
Tip: Zorg bij een groothoekbeeld van een landschap voor een sterk punt op de voorgrond!
Gulden snede
De gulden snede is de verdeling van een lijnstuk of een rechthoek in twee delen met een welbepaalde verhouding die in het algemeen als mooi ervaren wordt. Trek in het rechthoekige fotovlak twee denkbeeldige lijnen: een op 1/3 van de onder- of bovenzijde en een op 1/3 van linker- of rechterzijde. Je krijgt een sterk beeld als het de gulden snede volgt: plaats je onderwerp op het kruispunt van beide lijnen, een boom op de verticale lijn, de horizon op de horizontale lijn, ….
Tip: Je beeld is misschien sterker als je de horizon niet pal in het midden plaatst. Maar weet dat de gulden snede geen evangelie is!
Werken met lijnen en lagen
Een foto krijgt vaak meerwaarde als lijnen de kijker door het beeld meenemen. Het is opnieuw geen must, maar het werkt vaak indien je een diagonaal in het beeld legt, liefst van links onder naar rechts boven (= leesrichting). Lagen in het beeld geven het vaak diepte.
Tip: Het imposante van een boom komt meer tot zijn recht op een vertikale foto.
Tip: Isoleer je onderwerp van de omgeving. Een drukke achtergrond is vaak storend.
Tip: Bekijk foto’s van goeie natuurfotografen en laat je inspireren!
Exclusief voor jongeren
